Bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding of overlijden wordt tussen de echtgenoten onderling of tussen de langstlevende echtgenoot en de erfgenamen van de overleden echtgenoot afgerekend alsof de echtgenoten in algehele gemeenschap van goederen waren getrouwd.
In geval het huwelijk eindigt door echtscheiding of in geval van scheiding van tafel en bed is van die afrekening uitgesloten:
a. hetgeen de echtgenoten krachtens erfrecht of schenking hebben verkregen of zullen verkrijgen met de vruchten daarvan en met de daarop drukkende schulden en de wegens die verkrijging geheven belastingen:
b. de activa en passiva behorend tot het beroeps- of bedrijfsvermogen van één van de echtgenoten, dan wel de (certificaten van) aandelen in besloten vennootschappen of naamloze vennootschappen waarin een echtgenoot zijn beroep of bedrijf middelijk dan wel onmiddellijk uitoefent of doet uitoefenen;
c. al hetgeen krachtens zaaksvervanging voor het uitgesloten vermogen in de plaats is getreden met de vruchten daarvan.
Het hiervoor sub a tot en met d omschreven vermogen blijft voorts buiten de afrekening indien ten tijde van het overlijden een vordering tot scheiding van tafel en bed of echtscheiding is ingesteld, dan wel een gemeenschappelijk verzoek hiertoe is ingediend.
Indien op het leven van de overleden echtgenoot een verzekering is afgesloten en door de langstlevende echtgenoot in verband met het overlijden van de eerst gestorven echtgenoot een uitkering wordt verkregen waarover successierecht verschuldigd kan zijn, blijven de premies en dergelijke alsmede de schadevergoeding buiten de afrekening doordat het in de afrekening betrokken vermogen van de langstlevende wordt vermeerder met deze te zijnen laste komende en tijdens het huwelijk betaalde premies en dergelijke en met schadevergoeding.